afrijden

afrijden
{{afrijden}}{{/term}}
I 〈onovergankelijk werkwoord〉
[vertrekken] drive off/awayride off/away 〈te paard〉, leave 〈bus, trein〉, depart 〈bus, trein〉
[naar een lagere plaats rijden] drive downride down 〈te paard〉
[rijexamen afleggen] take/do one's driving test
voorbeelden:
2   een heuvel afrijden ride/drive down a hill
II 〈overgankelijk werkwoord〉
[ten einde doorrijden] drive to the end ofride to the end of 〈te paard〉
[dresseren] break in〈beweging geven〉 exercise
[afmatten] ride/drive (too) hard
[doen verliezen] cut off (in an accident) 〈arm, been e.d.〉
[door veel/wild rijden doen slijten] wear out
voorbeelden:
1   de hele stad afrijden ride/drive all over town
5   hij had de auto in drie jaar afgereden he'd worn the car out in three years

Van Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels. 2015.

Игры ⚽ Поможем решить контрольную работу

Share the article and excerpts

Direct link
Do a right-click on the link above
and select “Copy Link”